Bij opera bereikt bepaalde muziek soms een bepaalde status van beroemdheid en herkenning waardoor ze een leven gaat leiden buiten de setting waar ze aanvankelijk voor bedoeld was. Zo is het vandaag onmogelijk om de can-can te onderscheiden van haar eerste bekende muzikale voorstelling, de “Infernal Galop”. Evenmin kan men het woord ‘barcarolle’ nog vermelden zonder dat iemand onmiddellijk de melodie van “Belle nuit, ô nuit d’amour” begint te neuriën.
Beide werken werden geschreven door Jacques Offenbach, meester in de negentiende-eeuwse Franse bordeel-operettes. Terwijl de “Internal Galop” gebruikt werd in de destijds schandalige opera Orpheus in de Onderwereld, gebruikte Offenbach zijn barcarolle pas voor het eerst in zijn meest dierbare werk, Hoffmanns Vertellingen (Les Contes d’Hoffman).
De opera is gebaseerd op Les contes fantastiques d’Hoffmann, het toneelstuk van Jules Barbier en Michel Carré uit 1851, dat geïnspireerd werd door enkele verhalen van E.T.A. Hoffmann. De Duitse auteur was gefascineerd door het bovennatuurlijke en macabere en zijn verhalen waren niet enkel geliefd bij andere schrijvers, maar ook bij componisten uit de negentiende eeuw. Zo zijn er in de werken voor het toneel van Delibes, Tchaikovsky, Wagner en Offenbach telkens elementen te vinden die hun bron vonden in Hoffmanns verbluffende verbeelding.
Barbier en Carré hadden de briljante ijdelheid en moed om van Hoffmann een personage te maken in het drama, iets dat later herhaald werd door Offenbach in zijn opera. Tijdens een dronken nacht ergens buiten de stad, vertelt Hoffmann hoe hij drie haast onmogelijke meisjes veroverde (en vervolgens weer verloor). Zo is er Olympia, een mechanische pop die enkel Hoffmann als echt menselijk ziet; Guilietta, een courtisane die Hoffmanns reflectie steelt; en Antonio, een meisje dat zichzelf letterlijk dood zingt.
Aan het eind van de opera blijkt het aan de praat houden van Hoffmann een list te zijn geweest die ervoor zorgde dat zijn rivaal Lindorf zijn huidige minnares Stella van hem kon wegstelen. Net zoals de mysterieuze circusvijanden uit zijn verhalen -respectievelijk Coppéllius, Dapertutto en Dr Mirakel- zorgen de acties van Lindorf er in de realiteit voor dat Hoffmanns droom om de ware liefde te vinden, verwoest wordt.
De opera, die op 10 februari 1881 in de Komische Opera in Parijs in première ging en nu terugkomt naar de Volksopera in Wenen, heeft een fascinerende subtekst. Hoffmann, zo vond Offenbach, had naast zijn hernieuwde gevoel voor humor (en bijzondere werken) ook de gave om snel voor melancholie te vallen. Hoffmanns vertellingen, dat enkele briljante scènes heeft die zich afspelen in een taverne en het stuk ondersteunen, is op verschillende manieren ook een ode aan de opofferingen die artiesten maken ten koste van hun muze. In deze opera wordt dit gepersonifieerd in de vorm van Hoffmanns gezel Nicklausse.
Offenbach was er eindelijk in geslaagd het meesterwerk te schrijven waar hij altijd van gedroomd had, maar achteraf gezien vraagt men zich af of hij zich realiseerde dat men enkel succes kan bereiken ten koste van geluk in het leven. Ironisch genoeg overleed hij alvorens Hoffmanns Vertellingen op het toneel te kunnen zien.